Het grote avontuur van twee kleine sloddervissen

Expeditie Exhaustion

In de baai van Isla Isabella liggen welgeteld twee zeilboten. De rest is al lang vertrokken naar de Marquesas. Wij maken deel uit van de achterhoede die langzaam maar zeker slinkt. Onze buren hebben hun stalen boot oranje geverfd zodat de roest minder opvalt. Het zet meteen ook hun manier van leven en denken symbolisch in de verf. De twee gastjes aan boord lijken op het eerste gezicht producten van het Playstationtijdperk (een beetje chubby) maar uit dit verhaal zal blijken dat niets minder waar is. Benjamin, de pater familias (en ik bedoel een ECHTE pater familias – een uitstervend ras) is een Engelsman, klein van gestalte maar zo strak, gespierd en behaard als een blonde versie van Jerommeke. Naast zijn geprononceerde spieren trekken vooral zijn felblauwe ogen de aandacht (volgens Daniel en Kjel staan ze te dicht bij elkaar). Deze vent werkt een maand per jaar “in de olie” en neemt dan de rest van het jaar congé. Het is een freediver (duiken zonder tanks – typisch dat deze vent dat niet nodig acht), een held, een Action Man zoals Kjel hem noemt. Zijn vrouw ruilde de smog en het verkeer van de Braziliaanse grootstad San Paulo voor de vrijheid en de frisse lucht op een zeilboot. Een straffe madam, zeer zeker.

De familie nodigt ons uit om hen te vergezellen op “een familie-uitstapje”. Nieuwsgierig naar de exploratiemethoden van onze nieuwe held zeggen we toe. Het plan: op zoek gaan naar “Los Tuneles”, lavatunnels érgens aan de zuidkust van Isla Isabella, daar freediven, lobsters vangen en die rauw opeten als lunch met gember, soyasaus en wasabi. Klinkt stoer. De locatie bepaalde hij via Google Maps ongeveer op een kilometer of vijf na. Luke, de oudste van de twee broertjes, elf jaar en een kennisdeler, somt op wat we niet mogen vergeten: rugzak, water, eten, koplamp, snorkel, vinnen en een mes. Ik zie het volledig zitten. Als die kerel dat met zijn kleine mannen doet, dan zal ik ook wel kunnen volgen zeker? Op dat moment had ik er geen idee van hoe hoog onzen Ben de lat voor zijn kleine mannen zou leggen.

’s Morgensvroeg cruisen we met de dinghy naar het dinghydock, tsjollen naar het centrum van het stadje en treffen de familie aan in een fietsenverhuurzaak, terwijl ze de versnellingen van hun mountainbikes uittesten en telefonisch met de baas over de prijs negotiëren. Kjel pompt de banden van Daniels folding bike(je) op. In een karavaan storten we ons op de zandwegen. Tussen de benen van Ben zit de kleine Joshua van 9 jaar in amazonezit, met zijn flipflops aan zijn voeten en een go pro in zijn handen (top camera voor op de fiets en onderwater). Hier en daar nemen Kjel en ik zijwegen in de hoop een glimp op te vangen van flamingo’s. Zonder succes. Wat we onderweg wel tegenkomen zijn giant tortoises die liggen te chillen op de hete zandweg of ergens gestrand zijn tijdens hun langdurige oversteek.

Na 8 km bereiken we de Wall of Tears, een muur van 100 meter lang, 7 meter hoog, gebouwd door Amerikaanse gevangenen na de Tweede Wereldoorlog. Een compleet nutteloze constructie in the middle of nothing. We kunnen ons perfect voorstellen dat die mannen daar onder de vlakke evenaarszon veel hebben zitten blèten. Vandaaruit vertrekt een smal pad richting Helemaal Nergens. Op het waarschuwingsbord staat: jachtterrein voor geïntroduceerde diersoorten (honden, katten, everzwijnen, ezels, en geiten). This is it. Daniel duikt de broes in, Ben hangt aan zijn achterwiel, zijn vrouw en oudste zoon hakken zich een weg door de doorns. Kjel vreest voor het fragiele stadsfietsje van Daniel en ik heb geen zin om terug te wandelen met een platte band, dus wij dumpen onze fietsen na 100 m al ergens in de bush. Na 3 km wandelen halen we ze in. Rozangela’s fiets heeft al een platte tuut en het pad wordt ondoordringbaarder en ondoordringbaarder.

We stappen nog even verder tot Ben beslist om ons dwars door de doornige begroeiing een weg naar het zuiden te slaan. Ik frons mijn wenkbrauwen bij de gedachte alleen al, maar bedenk opnieuw “als die kleine mannen dat kunnen dan kan ik dat ook”. Dus we gaan ervoor. Zo goed en zo kwaad als het gaat ontwijken we de cactussen, de doornige groene en prikkerige grijze takken. De stam van sommige bomen ziet er wollig en knuffelachtig uit maar zijn één grote wolk venijnige doorns. Alles wat hier groeit heeft naalden en prikt of steekt. Alles. Zo wroeten we een uur of twee door dit onherbergzame bos. Als Ben uit het oog verdwijnt en iemand van ons hem roept antwoordt hij steevast: “Kukuruku!” Ergens halverwege volg ik hem met gerust gemoed door een redelijk dichtbegroeid stuk en plots loop ik ergens met mijn hoofd tegen en voel binnen de seconde minstens vijf naaldprikken in mijn neus, wang, voorhoofd, arm en knie. WHAT THE FUCK???!!! Ik deins achteruit en sla Luke naar achteren. Die panikeert en roept “WHAT???!!!” Dan wijst hij omhoog en roept: “A WASP NEST!” Dat trauma wordt alweer bevestigd zie. Ik haat wespen en heb er schrik van. Typisch dat net ik met mijn kop in dat nestje loop. Gelukkig waren ze onderbemand en kwam ik er met slechts enkele mottige steken vanaf. Mijmerend over dit geluk bij een ongeluk, schuif ik (niet eens zoveel verder) van een schuine rotsblok af en schuur een deftige vier millimeter van het topje van mijn grote teen. Auch. Weer op mijn tanden bijten en doorlopen. Het geruis van de zee komt dichter en dichter.

Aan het einde van de tunnel schijnt een licht. Ik hoor enthousiast gegil van Ben (maar dat deed hij al de hele tijd om zijn vrouw en kroost hoop te geven). Eerst zien dan geloven. Door de struiken zie ik plots een open terrein met witte dode takken die kris kras door elkaar in de grond steken en strak afsteken tegen de blauwe hemel. Wanneer ik onder de laatste doorns vandaan kruip kijk ik over een uitgestrekt moeras met gele, groene, bruine en grijze kleurenvelden. In het midden staat de grootste beloning en verrassing van de dag: een grote, roze groep op naaldhakken. Wel zeker 50 flamingo’s! Wellicht is hier nog nooit een kat geweest en zijn we de eersten die dit aanschouwen. Uniek! Het enige nadeel is dat deze prachtige beesten zich zalig voelen in het smerigste putje ooit. De hele boel stinkt dat het geen naam heeft. Fin, het heeft wel een naam en het heet rotte eieren. Degoutant! We installeren ons en evalueren de situatie. Daniel had 2,5 liter water bij vertrek. Die zijn er allemaal door. De familie zit op enkele slokken na door de reserves. Ikzelf had het lumineuze idee om maar 1 liter water mee te nemen. Daar rest nog een slokje van of zo, durf er niet goed naar te kijken. Enkel Kjels rantsoeneringsplan lijkt geslaagd. De avond voordien hadden we lekkere currystoofpot gemaakt met als gevolg dat het team van Red Sky Night lekker pikante leftovers mee heeft als lunch. Onmogelijk om te eten zonder water. Ik vis de aardappelen eruit en stil mijn honger. De rest van de dag wordt kin kloppen. Voor Ben is er echter nooit een probleem. Het enige wat telt is doorgaan. Dus hij voegt de daad bij het woord, fatsoeneert zijn rugzak met alle waardevolle dingen, stapt recht in de modderpoel en zakt meteen tot aan zijn knie in het slijk. Geweldig! Iedereen gaat strike bij het zien van de held tot aan zijn middel in de rotte eierendrek. Door gebrek aan alternatieven plonzen we hem achterna. Mijn open wonde aan mijn teen zakt diep weg in de troep. Ideaal om eens een vuile ziekte op te doen denk ik zo. Langzaam maar zeker banen we ons een weg naar de overkant waar dichtbegroeide mangroven ons opwachten als een interessante changement de décor. We klauteren over de sterke takken (Kjel zakt door een dikke) en slingeren over de moeilijkere stukken. Ik volg Kjel op de voet en imiteer zijn apentoeren. Verderop hoor ik alweer gejoel. Ik smijt mezelf op een redelijk pijnlijke manier over de laatste obstakels, beland op parelwit zand en kijk uit over een prachtig groot strand! EINDELIJK! GODVERDOMME! Dat was hard… Ik trek mijn kleren uit die naar rotte eieren stinken en spring in de zee. De golven in de verte reiken minstens drie meter hoog.

Ben staat alweer een stap verder dan de rest. Met zijn vinnen van een meter lang marcheert hij naar de rotsen om vandaaruit naar de volgende baai door te steken op weg naar zijn lunch (rauwe kreeft). Kjel volgt op zijn hielen. Daniel en ik bekijken de wilde zee, geven het een kans en beslissen dan shelter te zoeken in een lagune met pinguïns langs de randen. Onderweg bots ik op een zeeschildpad die om een of andere reden nerveus zit te wroeten in de zeebodem. Ik klim uit het water om wat op mijn gat naast de pinguïns te chillen en ze te observeren. Ze kijken omhoog naar die vreemde figuur op een meter van hun vandaan maar lijken allerminst onder de indruk. Ik kijk recht in hun rode ogen. We proberen Kjel en Ben te zoeken en trotseren de hoge golven en de sterke current. Ik zie Ben net naar beneden duiken met een lobster in zijn hand (door Kjel gespot), op zoek naar de volgende. Kjel bemachtigde een voelspriet van een kreeft maar moest de rest van zijn koninklijke lunch laten gaan. Ik snorkel wat rond en gaap naar vissen vol blauwe glinsters. Plots kijkt Kjel in mijn richting en gilt: “BRECHT! PAS OP!!!!!” Ik draai me om en zie een torenhoge golf recht op mij afstormen. Die smeerlap lijkt een huis hoog. In mijn hoofd flasht: TSUNAMI!!!! Dankzij een vorige slechte ervaring grijp ik meteen mijn masker en snorkel vast en duik onder. De golf raast voorbij, sleurt mij mee, trekt aan mijn gerief maar passeert zonder schade te berokkenen. Ik zie de rotsen onder mijn trappelende vinnen op veilige afstand en steek opgelucht mijn hoofd weer boven water. Het probleem is niet voorbij. Dit is geen uniek geval. De volgende berg stormt alweer in mijn richting. Het gevaarlijkste punt is wanneer ze breken en dat is toevallig ongeveer net boven mijn hoofd. Ik probeer rustig te blijven en mij zo snel mogelijk uit de voeten te maken, dus ik zet mijn koers richting strand. Maar de natuur trekt zich daar geen zak van aan. Mijn lijf vliegt van voren naar achteren en van links naar rechts. Plots word ik gegrepen door een reus. En dan gebeurt het. Masker en snorkel perfect onder controle. Ademhaling ca va. Richting nog steeds correct. Rotsen buiten bereik. Maar de reus rukt aan mijn vinnen en ript er eentje van mijn voet. Smeerlap! Op dat moment panikeer ik. Zwemmen tegen de stroming in is lastig, maar een vin minder betekent een serieuze handicap. Ik verlies de controle. Masker vol water. Snorkel vol water. Neus vol water. Maag binnen de kortste keren dus ook vol water. Ademhaling naar de klote. Paniek! Ik zet mijn keel open naar Daniel die onmiddellijk in mijn richting zwemt. Ondertussen zie ik mijn vin meedrijven in de golven dus nadat ik even op zijn schouder mijn grootste hartaanval overmeesterd heb stuur ik hem in die richting. Kjel schiet ter hulp. Ik rol of beland toch op een niet al te elegante en beheerste manier op het strand en ben dolcontent dat ik nog leef, geen poten of schedels gebroken heb en al mijn tanden nog op hun plaats zitten. De mannen werken in team. Daniel vangt de vin, Kjel overhandigt hem aan mij. Iedereen is zienderogen uitgeput.

Als we de rest van de groep bereiken krijgen we opbeurend nieuws te horen. De zee kent getijden en terwijl wij ons aan het amuseren waren, is het tij gekeerd. Aangezien ik alles netjes open gelegd had om te drogen na ons pootje baden in rotte eieren, had de zee vrij spel en nam alles mee. Oeps. Gelukkig konden zij het merendeel redden en zijn enkel mijn koplamp en fietssleutel kwijt. Onze fietsen hangen met Kjels slot aan elkaar dus dat laatste is geen ramp. Maar mijn koplamp… Zo rond 14u zei ik nog tegen Kjel en Daniel dat we al 5 uur onderweg waren en enkel voor het donker terug zouden zijn als we NU zouden terugkeren. Uiteraard hebben we dat niet gedaan en is het ondertussen 16u30. We hebben gegarandeerd een nachttrip voor de boeg. Zonder koplamp wordt dat verdomd lastig. Kjel heeft geen koplamp mee dus we zijn beiden afhankelijk van een ander. Terugkeren door de lagune, de cactussen en de doornige bush is uitgesloten. De veiligste weg loopt langs het strand. Zonder er verder diep over na te denken beginnen we te stappen. Voorlopig gaat het prima. De zon schijnt nog en geregeld lopen we over wit strand. Terwijl ik tijdens de tussenstukken over de lavarotsen balanceer zie ik Josh op zijn blote voeten van de ene steen naar de andere springen. Zijn schoenen gingen ergens in de zee verloren en hij moet het nu zonder doen. De kleine geeft geen kick en doet alsof dit de normaalste zaak van de wereld is. Als je ooit al eens blootsvoets over lavagesteente gelopen hebt, weet je dat dat niet evident is. Ik ben content met mijn teva’s en bedenk dat zelfs dat al pijn doet (zand onder de sandalenstrips schuurt mijn vel eraf en mijn tenen schuren zich tegen de ruwe rotsen). Niets aan te doen nu. Doorlopen.

Wanneer de hemel rood kleurt merken we sporen op. Eerst een schildpaddenspoor dat vanuit de zee naar een put (een nest) loopt en dan een rommelig spoor dat er dwars doorheen loopt langs de rand van het strand. Verderop zien we plots een kliekje donkerbruine varkentjes lopen en niet veel verder een beer van een zwijn. Ze woelen de boel overhoop, forken de eieren naar binnen en trippelen naar het volgende nest. Als wij te dicht naderen verdwijnen ze in de struiken. Ze laten een ravage achter. Met onze eigen ogen aanschouwen we wat wellicht ooit de ondergang van Galapagos zal worden.

Ondertussen zwoegen wij verder. Het witte strand wordt verleden tijd. Vanaf nu krijgen we enkel rotsen. De sikkelmaan zakt langzaam maar zeker naar de horizon en verdwijnt uiteindelijk uit het oog. Nu is het pikkedonker. Voor sommige stukken moeten we over rotsmuren klimmen, door water waden of over krakken tussen de lavatunnels springen. Elke keer als we voorbij een bocht of een peninsula kijken hoop ik het einde te zien. Maar we zijn er nog bijlange niet. Even krijgen we hoop als we in de verte talloze lichtjes zien. “Civilization”. Maar civilization wil niet dichterbij komen en vier uur later lijken de lichtjes in mijn ogen nog steeds even ver verwijderd.

Ik probeer in Daniels buurt te blijven. Niet dat ik per se bij hem wil zijn, maar hij is de enige met een lamp. Ben schijnt voor zichzelf en zijn familie, daar kan ik mijn schaduw moeilijk bijvoegen. Kjels perfecte ogen passen zich makkelijker aan en hij loopt sommige stukken in het donker. Ik loop afwisselend in licht en donker waardoor mijn ogen permanent verblind zijn en afhankelijk geworden van het licht. Sowieso zijn ze al zwakker dan die van de rest van de groep, maar dat ben ik al gewoon. Daniel vertikt het. Hij loopt te snel dankzij zijn bamboestok en lamp zodat ik hem niet kan bijhouden. Hij wil niet wachten en telkens als ik bijna bijgebeend ben draait hij zich om zodat ik weer in het donker sta te staren. Ben schijnt uiteindelijk voor zes man, terwijl Daniel in zijn eentje voorop beent. Ik bijt op mijn tanden want hier een spel van maken heeft geen zin. Aangezien die kleine mannen geen kick geven en de oudste nog steeds verder babbelt over koetjes en kalfjes, kan ik moeilijk beginnen zagen en klagen. Ik probeer met grapjes, lieve woordjes, plagerijen, maar het helpt geen zak. Daniel doet het Ozzie style: Harden the fuck up. Hij geeft mij wel een wandelstok zodat ik mezelf een blindemannetje voel. Maar wat doet een blinde in het holst van de nacht op een strand vol lavastenen terwijl het stilaan hoogtij wordt?

Plots vindt Ben een trail landinwaarts. YES! Opnieuw tussen de cactussen en de bush. Josh op zijn blote voeten. Wij met een zaklamp, die Daniel uit pure miserie uiteindelijk toch aan ons gegeven heeft omdat we hem te hard aan het pesten waren. Het is een goed pad, een zeer goed pad, een wijd pad, een duidelijk pad, een pad dat HELEMAAL tot aan de weg loopt! DE WEG!!! Kjel en ik hadden onszelf al voorbereid op een nachtje slapen op het strand. Maar hier staan we dan. Op de weg! Iedereen is perte totale. Ben heeft zijn jongste even gedragen voor het laatste stuk en dropt hem nu op de grond met de legendarische woorden: “Okay buddy, party’s over. You’re on your own!” Kjel en ik besluiten om nog even door te bijten, onze fietsen op te halen en naar beneden te rollen in plaats van te wandelen. De rest spaart deze trip tot de volgende dag.

Eindelijk kunnen we tegen elkaar zagen over de vermoeiende trip. We kruipen uit onze natte kleren,  huppelen halfnaakt door de nacht over de zalige weg en kwetteren erop los. Binnen de kortste keren staan we aan onze fietsen en na een relaxerende afdaling bereiken we het dinghydock. Daniel voegt zich opgelucht bij ons, we cruisen naar huis, zuipen ons te pletter aan precious water en storten ons uitgehongerd op de overschot van onze stoofpot. Niet veel later ligt iedereen plat op zijn rug te maffen.

Achteraf horen we dat onze dappere buren thuis kwamen, de lobster oppeuzelden, koffie dronken, een film bekeken en dan pas gingen maffen. Wat een familie-uitstapje…

Eind goed al goed. ’s Morgensvroeg staat de capitania aan Bens boot te reclameren over de verdwenen fietsen. Iedereen voelt de stress voor een sanctie. Als ze erachter komen welke illegale trip wij achter de rug hebben zwaait er wat. Maar Action Man schudt weer een plan uit zijn spierballen. Hij en Daniel wandelen de hele weg terug, rollen met zijn tweetjes de vier fietsen met zeven platte banden terug, compenseren de baas en praten zich uit de penarie. Kjel en ik ruimen de mesthoop op in de boot. De volgende morgen ga ik me excuseren voor het verlies van de sleutel. Ik vertel het verhaal, de madam vindt het geweldig, belt de baas en deze vindt het doodnormaal dat sleutels verdwijnen en bedankt mij voor de excuses. Een zalig avontuur met een goede afloop is dubbel zo zalig!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s