Het grote avontuur van twee kleine sloddervissen

Darien – Ipeti

Vlak na de fantastische Cuba-reis probeerden we het zwarte gat te ontkennen en er het beste van te maken in Panama. De provincie Darien met zijn dichte jungle, legendarische nationale park en zotte trekkings leek de beste en de meest exotische bestemming. De voormiddag verkakten we alvast in een  internetcafe. Niet erg. Lekker dure boeken gekocht op Amazon aan het dubbele van de prijs dankzij de lange verzending naar het hol van Panama. (titels: de Fidel Castro Reader, The Name of the Rose, Cosmopolis en Libra van Don Delillo, een boek over Galapagos met up to date bedenkingen over de situatie vandaag, The voyage of the Beagle van Darwin).

Bus naar Albrook Mall. Bus naar Darien. Eerste halte Chepo met veel tankstations, supermarkten en frisse druifjes. Vlotte overstap op nieuwe bus. Elk leest zijn boek en relaxt. Tweede halte Torti. Klinkt lekker. Zadelmaker verspreidt lekkere ledergeur door de avondlucht. Voor de rest valt er bitter weinig te beleven. We zoeken een goedkoop hotel om in te cocoonen en lezen ons kanjerboek (Kjel over Panamakanaal, ik over Cuban missile crisis) tot de nacht ons overmant. Volgende morgen tevergeefse poging om te liften. Bus naar Meteti met militaire grenscontrole. Kjel moet mee en keert ontmoedigd terug. We picknicken dan maar naast het militaire kot en kijken hoe de bus wegrijdt zonder ons. Ik ga piesen in het gat in de grond bij de buren van de militairen. Eigenlijk zijn het gepromoveerde flikken want Panama heeft geen leger. Ik wil het nog niet opgeven dus we proberen het een tweede keer en mogen toch de bus nemen tot Yavisa. Opgelucht, een beetje uitgelaten en vol verwachting nemen we een snel minibusje tot ons voorlopige eindpunt. We lezen erop los en merken niet eens wanneer we er zijn.

Het eerste het beste hotel in Yavisa is een smerige, cementerige barak. De kleine betonnen cellen hebben geen muskietennetten voor de “ramen” (decoratieve gaten in de muur) en slechts een vreemdsoortig breed eenpersoonsbed. De kleine dikke schurfterige eigenaar vraagt een belachelijke 8 dollar maar probeert ons vooral door te verwijzen naar de betere hotels van het stadje. Dat appreciëren we wel van hem en we marcheren door de hoofdstraat. We passeren een madammetje met geurige noedels (en dachten “hier komen we terug”), militairen in oefening, een knipogende commandant en een hotel naast Bar de las 3 Americas.

De hotelmadam zit met haar hele lichaam te giechelen om de situatie in Darien (Colombiaanse guerrillero’s, paramilitairen en de jongetjes die met een stuk hout meehuppelen als de militairen door de straten draven). Behalve de gijzelingen, moordpartijtjes en verdwijningen, die vindt ze wel het fronsen waard. Ze heeft een propere en verzorgde witte hond met een bruin en een blauw oog, en een paarse tattoo tussen zijn benen (waarschijnlijk leftovers van de rituele tatoeages van de tienerjongens die we later tegenkomen). De kamers zijn netjes en alles is tiptop. Ze wil ons zelfs helpen om het park en El Real binnen te sneaken. De twee bevallen ons meteen.

We kuieren langs de modderrivier door de achterstraat tot het einde van het dorp, groeten (piep)klein (de meesten) en (redelijk) groot, jong en oud, man en vrouw en twijfelachtig (achteraf bleek het een mannetje te zijn). We eten de noedels aan de rivier en een kiek met ketchup naast onze deur. ’s Nachts knalt de disco onder onze kamer zware beats door het hele dorp (als we niet zo moe waren geweest…) tot het vroege uur waarop wij onze biezen pakken. Drie dikke negerinnen zwalpen door de straat met nog een bekertje rum in hun pollen en een erg troebele blik. Twee even gare mannen volgen hen op de voet. We kijken hen na van op ons balkon.

Een bootje nemen naar El Real zit er jammer genoeg toch niet in. Zelfs een bezoek aan papa militaria verandert niets aan de situatie en Anam (Panama’s evenementenbureau dat zelfs actief is in de broes) is gesloten. Illegale shit uitsteken lukt echt niet als je met een blanke kop door Panama trekt. Gelukkig zagen we de ontgoocheling al van ver aankomen en liepen we al met een alternatief op zak. Een bezoek aan de caballeros van Ipeti Colon. We kruipen weer op de bus.

Twee uur later verwelkomen de Kunameisjes ons met spotgoedkope bananen. Ze vinden vanalles grappig aan ons. Wij lachen wat ongemakkelijk mee en verlaten onze fanclub redelijk snel. We rusten wat uit op de weg naar Ipeti Choco. Enkele dafalgans verlichten mijn hoofdpijn, een rustje heelt de vermoeide knieën en wat knuffelen smeedt onze band weer muurvast na een nutteloze discussie over zwetende kaas en al dan niet opeten of zoiets. Brecht was moe. Dat was duidelijk. Een chocomeneer wijst ons eindelijk in de goede richting voor Ipeti Colon (totaal de andere kant uit dan waar onze fanclub ons naartoe gestuurd had). Paarden genoeg. Een kleine vriendelijke caballero benadert ons en brabbelt vanalles over “Coy”. What the fuck is Coy? En waar vinden we die Coy? We verstaan niets van zijn campesino-Spaans. Uiteindelijk neemt hij ons mee naar zijn casa met de belofte dat we er kunnen maffen en morgen wel een paard zullen vinden. Deze man bevalt ons wel en zijn lacherige familie ook. We krijgen guava die er totaal anders uitziet dan de vrucht die wij tot nu toe als guava kenden. Na lang gebaren en herhalen begrijpen we dat er iemand niet zo ver van de waterval in de heuvels woont. Deze mens schijnt de naam Coy te dragen, veel mango’s in zijn tuin te hebben en zeker een slaapplaats voor ons.

De zoon begeleidt ons op zijn paard over kiezelwegjes, op (zelfs heel erg op) en neer, door slijk en rivieren, hekken en schaduw. De beloning voor onze tocht is memorabel. Ergens diep in de heuvels van het dorp, op twee uur wandelen van de Interamericana woont een kaaswitte Amerikaan (een gringo, net als ons – volgens de plaatselijke bevolking) van mijn leeftijd die twee jaar lang vrijwilligerswerk verricht voor zijn community. Hij woont in een paalwoning, spreekt vloeiend campesino, voedt een mager maar elegant ros katje Ruth (naar de Bijbelse moeder die op gods voeten slaapt op zoiets) en haar vier kitties. Er staat een zwarte tarantula op alcohol in zijn keukentje. Al zijn gerief hangt in plastic zakken bewerkt met muskieten repellent aan het houten plafond. Zijn huid is zwaar verbrand, zijn stroblonde haar heeft een schouderlengte bereikt na twee jaar. Zijn stront belandt eerst op een houten plankje en daarna netjes in een put in de tuin met veel muggen, vliegen en zelfs enkele padden (die ik die nacht hoorde “zingen” toen ik het deksel optilde). Hij noemt zichzelf een IIFJ – Introvert (<>extravert), intuïtief (denkend <> uitvoerend), een feeler (<> thinker) en een judger (beslissingen nemer <> perceiver/volger). Wij zagen vooral een uit speciaal hout gesneden spraakwaterval die al veel te lang alleen in zijn houten kot in Panama woont en helemaal tilt slaat tijdens de ontmoeting met twee verdwaalde Belgen die niets beters te doen hebben dan de wereld rond te dolen en overal per toeval te belanden.

Hij beschouwt zichzelf bovendien als een nerd met obsessies voor koplampen en hangmatten. Dat was duidelijk. Hij was in het bezit van de meest horizontale hangmat ter wereld (Coy verwees hieromtrent naar een of ander soort architecturaal brugprincipe – maar halverwege werd mijn aandacht wat troebel). Hij noemt Kjel een man van zijn categorie wanneer deze van de gelegenheid gebruik maakt om zijn eigen kennis ook even op tafel te leggen. Toegegeven, ik ben zeer content met mijn plastieken Petzl-lampke uit de Decathlon, mijn veel te grote en zware Thermarest-matje en mijn slaapzak waarvan ik het merk niet eens ken, een tent heb ik zelfs nog nooit in mijn leven bezit. Kortom, ik ben mijlen verwijderd van deze mannen en veel inbreng heb ik niet. Maar ik geniet van het feit dat Kjel zienderogen en met de minuut stijgt in de achting van onze gastheer. Kjel en ik nemen zonder veel tegenstribbelen de verplichte douche en proberen vervolgens zijn kingsize hammock uit. We slapen toch een halve nacht tezamen in een vreemde schaarpositie met elkaars tenen in elkaars gezicht. Dat hadden we nog niet geprobeerd. Rond vier uur word ik wakker met extreem stijve knieën (alweer die knieën – wordt stilaan echt een probleem) en een veel te enthousiast kraaiende haan. Ik kruip toch maar in de andere horizontale hangmat.

De volgende dag gidst hij ons naar twee hydraulische waterpompen die zijn hele community van elektriciteit voorzien. Onderweg kruipen we uitermate enthousiast over de boulders, springen we van steen tot steen. Ik ga geregeld tegen de grond. Als ze het niet zien zoveel te beter. Als ze het wel zien steek ik het op mijn gladde teva’s of de glibberige stenen. In mijn hoofd hoor ik permanent het stemmetje van Daniel die zegt: you’re growing old, love. We aanschouwen vol bewondering de watervallen en gapen in de diepte van de 10 meter hoge jump-rots. Het water beneden is onheilspellend zwart en godzijdank durft zelfs Kjel niet te springen. Elke watervloed rollen de reuzenrotsen trouwens wat door de rivier en de kans zat er dik in dat er wel eens een nieuwe kanjer in die zogenaamd superdiepe poel gekatapulteerd was. Het was de max. Ploeteren, uitglijden, klauteren, springen, balanceren, Kjel die perfecte evenwichtsoefeningen maakt op een dikke boomstam boven het water. Waar hij zijn vrees verstopt weet ik niet maar ik ben onder de indruk hoewel ik eigenlijk niet durf te kijken en altijd met afgewende ogen mijn hart vasthoudt als hij zulke dingen doet.

Tijdens de terugweg eten we bij een van Coys community families en Kjel eet de lekkerste rijst van zijn leven. De madam is teleurgesteld dat Coy haar niet gewaarschuwd had voor ons bezoek. Anders had ze een kip geslacht en een echt Panamees gastronomisch diner geserveerd. De kettingzaag waarmee de mannen hun huis bouwen is blijkbaar het statussymbool (een auto of iets anders van dat kaliber hebben ze niet). De rijst met sardientje valt zwaar en ons lichaam zakt weg op de houten bank. De familie kijkt naar X-Man. Niet in zwart wit maar in een sneeuwig groenig beeld. Ik zou er na welgeteld een minuut tettenonnozel van worden. De laatste loodjes wegen het zwaarst voor Kjel. Niet alleen de klop van de hamer maar vooral ook het doordrammende galopperende moppentappen van Coy komt zijn strot uit. Ik zit ermee te lachen en doe er soms een schepje bovenop. Slecht ingeschat want Kjel kan er niet mee lachen, wil Coy niet tegen de schenen stampen dus reageert zijn frustraties maar wat af op mij en trekt vieze snuiten naar mij. We kruipen redelijk snel in onze matten, leggen onze quarrel nog even bij en slapen als een roos (meteen apart, beter eens goed maffen dan proberen romantisch te zijn).

’s Morgens beginnen we na een trage start aan de lange trip naar de Interamericana. Halverwege, na een lange, halsstarrige klim heeft Kjel het lastig met de laatste minuut tot de eenzame palmboom vanwaar je een mooi uitzicht hebt op het meer en de Kuna Yala bergen. Volgens hemzelf is hij gewoon erg gefocust op de weg. Maar zijn uit de voegen barstende kop spreekt boekdelen. Soit, het moet niet altijd ik zijn die perte totale vanachter strompelt, druipend van het zweet, een rode kop van te veel zon, zweet en inspanning dan goed is voor een mens en flapperende teva’s. Vlak voor de bewoonde wereld kraken we nog een blik ravioli en zeggen de kleine caballero gedag. Aan de bushalte eten we onze buik boemvol met alle mango’s die ik met Coy uit de bomen slingerde. Fin, niet allemaal, die weddenschap verliezen we gelukkig tegen onszelf. Elk acht mango’s eten is al een heuse prestatie vonden we. Nog drie extra zou erover gaan. Zeker met die vier uur bus in het vooruitzicht.

Na de platte band van de bus probeert de vrouwelijke buschauffeur tevergeefs de verloren tijd in te halen door een behoorlijk zware en onverantwoorde voet op de pedalen te drukken. Kjel vloekt doorheen de hele bus (voor een keer niet zijn ondertussen legendarische “joenges toch”- maar een trage en beschaafdere “godverdomme zeg”) en kruipt naar de voorste rij om haar eens goed de les te lezen. (ondertussen hoop ik dat ze niet al te goed opkijkt of luistert naar hem en daarbij helemaal de controle over haar voertuig verliest) Zonder veel succes. Het gegrinnik van de passagiersbegeleider is irritant. We stappen dan maar uit en kruipen in een andere bus met mannelijke buschauffeur. Zijn ballen zijn echt en hij heeft niet zoveel te bewijzen. Eind goed al goed. We bereiken Albrook heelhuids. Kjel haalt zijn duikles. Als beloning van onze dappere dag steek ik het grote stuk Ruyter Sport zwarte chocolade met hazelnoten, mmm, dat het hele weekend op mij lag te wachten op de boot, in mijn mond en maak ik chocoladepudding voor Kjel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s